( Psalm 130 vers 6b )
Het verpleeghuis is een wereld waar grotendeels de vaart uit is.
Waar wachten soms letterlijk een werkwoord is.
Wachten om naar en uit bed geholpen te worden.
Wachten om naar het toilet gebracht te worden.
Wachten op het eten, de koffie of de thee.
Wachten op bezoek.
Wachten zelfs op de dood.
Die maar niet komen wil.
Wachten geeft vaak moeite.
Omdat je het zelf allemaal wil doen.
Omdat je het zelf altijd hebt gedaan.
En dat daarom afhankelijkheid zo moeilijk is.
Maar gelukkig, daar dwars doorheen zijn er velen.
Voor wie wachten ook verwachten is.
‘Ik heb mijn hoop gevestigd
op God de Heer die hoort.
Mijn hart, hoezeer onrustig,
wacht zijn verlossend woord.’
Er overleed een vrouw.
Toen haar spullen werden opgeruimd,
Werd een oud schriftje gevonden.
Vol verhaaltjes en gedichtjes.
In het midden stond een gedichtje.
Wellicht met een mens voor ogen.
Het gaat over wachten, over ver-wachten!
Het gedicht heet: ‘Meer dan wachters op de morgen’.
‘Ze zit maar bij de tafel, heel de dag,
zo eindeloos met haar gedachten.
Ze doet niet anders dan wachten,
omdat ze niets meer kan en niets meer mag.
Ze wacht op haar ontbijt en op de post:
(misschien heeft iemand eens een brief geschreven).
Maar wie van al de nichten en de neven
weet dat God haar nog niet heeft afgelost?
Ze wacht op koffie, een zaak van groot gewicht,
en ’s middags wacht ze op het warme eten.
Zolang het bezoekuur duurt zit ze vergeten
bij ’t raam en zoekt naar een bekend gezicht.
Ze zit daar elke dag, ze wacht en bidt.
De enkeling, die nog wel eens wil komen
prijst ’t mooie uitzicht op de bomen
en vindt dat ze hier maar gezellig zit.
Wanneer het avondbrood is rond gebracht
wacht ze geduldig en in stil beschouwen,
de smalle handen in haar schoot gevouwen,
de zuster die haar klaar maakt voor de nacht.
Maar boven alles wacht ze op de Heer
meer dan wachters op de morgen.
Ze weet zich in Zijn hoede wel geborgen
maar elke avond vraagt ze: ‘God… wanneer?’
Gepubliceerd in ‘Het Nieuwe Kerkblad’ september 2005